Cao mbo 2026–2028: meer salaris en aandacht voor je loopbaan
Meer salaris, flexibeler seniorenverlof en een onafhankelijke ombudsfunctionaris: het...
Lees meer
Je stelt een vraag aan de klas en binnen een paar seconden steekt dezelfde leerling zijn hand op. Dat voelt misschien efficiënt, maar voor een groot deel van de klas betekent het dat zij nauwelijks zelf hoeven na te denken. Bouw daarom bewust wachttijd in. Stel je vraag eerst aan de hele klas en geef leerlingen bijvoorbeeld dertig seconden om zelf een antwoord te formuleren of iets op te schrijven voordat iemand reageert. Zo geef je meer leerlingen de kans om daadwerkelijk na te denken en krijgen ook leerlingen die wat langer nodig hebben voldoende tijd om tot een antwoord te komen. Kleine aanpassing: stel je vraag eerst aan iedereen en vraag pas daarna om antwoorden.

Voordat je uitlegt hoe iets werkt, kun je leerlingen eerst laten nadenken over wat zij verwachten. Vraag bijvoorbeeld wat volgens hen gaat gebeuren, welke oplossing logisch lijkt, wat de volgende stap kan zijn of welke uitkomst zij verwachten en waarom. Pas daarna volgt jouw uitleg of het juiste antwoord. Deze kleine aanpassing maakt leerlingen cognitief actiever, omdat zij eerst zelf een redenering vormen en die vervolgens kunnen vergelijken met nieuwe informatie. Ook een fout antwoord wordt daardoor waardevol: het helpt een leerling ontdekken waar de eigen redenering afweek. Kleine aanpassing: laat leerlingen eerst een verwachting formuleren voordat jij het antwoord geeft.

Een uitleg hoeft niet altijd van begin tot eind van jou te komen. Behandel je bijvoorbeeld een probleem, casus of berekening, stop dan halverwege en vraag leerlingen wat volgens hen de volgende stap moet zijn. Geef hen eerst kort de tijd om individueel na te denken en laat ze hun antwoord eventueel daarna met een klasgenoot vergelijken. Zo verandert een lange uitleg waarin leerlingen vooral luisteren in een proces waarin zij regelmatig zelf moeten redeneren. Het is daarbij belangrijk dat de denkvraag aansluit bij wat je leerlingen op dat moment wilt laten leren. Kleine aanpassing: verdeel één lange uitleg in kortere stukken en plaats daar gerichte denkvragen tussen.
Door je uitleg bewust te onderbreken, verschuift een deel van het denkwerk naar de leerling. Dat past bij de rol van de docent als regisseur van het leerproces. In ons artikel over 8 sleutelbegrippen voor een activerend leerklimaat lees je daar meer over.
De vraag “Is het duidelijk?” vertelt je meestal weinig over wat leerlingen daadwerkelijk hebben begrepen. Ze kunnen het gevoel hebben dat ze de uitleg volgen, terwijl zelfstandig toepassen nog lastig blijkt. Laat leerlingen daarom direct iets met de nieuwe kennis doen. Vraag ze bijvoorbeeld een eigen voorbeeld te bedenken, een begrip in eigen woorden uit te leggen, een regel op een nieuwe situatie toe te passen, twee voorbeelden te vergelijken of een fout in een uitgewerkte oplossing te vinden. Je kunt leerlingen ook aan hun buur laten uitleggen hoe ze tot een antwoord zijn gekomen. Zo moeten zij de leerstof daadwerkelijk verwerken en zie jij sneller waar nog onduidelijkheden zitten. Kleine aanpassing: vervang “Snapt iedereen het?” door een korte opdracht waarmee leerlingen hun begrip laten zien.
Door leerlingen direct iets met je uitleg te laten doen, krijg je bovendien beter zicht op wat ze werkelijk begrijpen. Dat is ook een belangrijk principe van formatief lesgeven.
Ook de laatste minuten van de les zijn geschikt voor activerende didactiek. In plaats van zelf nog één keer samen te vatten wat er behandeld is, kun je leerlingen vragen om actief terug te kijken. Laat ze bijvoorbeeld opschrijven wat het belangrijkste inzicht van de les was, welke vraag ze nog hebben, welke fout ze bij dit onderwerp moeten vermijden of hoe ze de leerstof zouden uitleggen aan iemand die de les heeft gemist. Zulke korte afsluiters worden vaak exit tickets genoemd. Ze laten leerlingen reflecteren op hun leren en geven jou tegelijkertijd informatie over wat is blijven hangen. Kleine aanpassing: eindig de les niet alleen met jouw samenvatting, maar laat leerlingen zelf verwoorden wat ze meenemen.

Bij activerende didactiek denken docenten soms aan uitgebreide groepsopdrachten, nieuwe werkvormen of veel extra voorbereiding. Maar actief leren kan veel kleiner beginnen. Een paar seconden extra denktijd, een voorspelling vóór je uitleg, een denkvraag halverwege of een korte toepassingsopdracht kunnen al verschil maken.
Het belangrijkste is niet hoeveel leerlingen tijdens een les bewegen of praten, maar wat zij met de lesstof doen. Een activerende werkvorm heeft daarom altijd een doel: leerlingen laten ophalen, nadenken, toepassen, uitleggen of reflecteren op wat zij leren.
Een nuttige vraag om jezelf tijdens de voorbereiding te stellen is dan ook:
Wie doet tijdens deze les het meeste denkwerk?
Als jij voortdurend uitlegt, samenvat, voorbeelden geeft en oplossingen voordoet, blijft een groot deel van dat denkwerk bij jou liggen. Door leerlingen vaker zelf een volgende stap te laten zetten, verschuift dat denkwerk steeds meer naar de plek waar het uiteindelijk hoort: bij de leerling.
Wil je leerlingen actiever laten nadenken en werken? Tijdens het gratis webinar Activerende didactiek ontdek je hoe je met praktische en laagdrempelige werkvormen meer activiteit in je lessen brengt. Je ontdekt onder andere hoe je:
Het webinar vindt plaats op 5 oktober 2026 van 16.00 tot 17.00 uur.
Meer salaris, flexibeler seniorenverlof en een onafhankelijke ombudsfunctionaris: het...
Lees meer
Prinsjesdag onderwijs 2026: lees wat de plannen betekenen voor personeel, basisvaardigheden, AI,...
Lees meer